Deze blog is geschreven in samenwerking met Kim van Strien, hoofdbestuurder VO bij de AOb en Walter Kamphuis, lid van het sectorbestuur VO namens rayon Oost. 

Op Twitter deelde Teacher Tapp met ons onderstaande afbeelding. Hier is duidelijk dat bijna de helft van de deelnemers niet weet wat een opslagfactor is. Hierover zijn wij met stomheid geslagen, want dit is nou precies waar een groot deel van de werkdruk in zit. Het gaat over de hoeveelheid tijd die jij krijgt rondom de lessen die je geeft. Dit leek ons dan ook hét moment om een blog te schrijven om onze collega’s te informeren over de opslagfactor.

Wat is de opslagfactor

Alle afspraken tussen werknemers en werkgevers in het onderwijs komen samen in de Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO). Dit geldt niet alleen voor personeel dat les geeft, maar ook voor ondersteunend personeel. De opslagfactor geldt wel alleen voor lesgevend personeel, omdat het om werkzaamheden gaat die gekoppeld zijn lessen. 

In de CAO VO wordt voor het eerst gesproken over de opslagfactor in artikel 8.1, lid 3. Dat artikel gaat over de jaartaak. Er staat: 

“In het taakbeleid wordt aandacht besteed aan:

b. honorering van het voor- en nawerk (opslagfactor plus omschrijving inhoud);”

Aan al jouw lessen zit voorbereidingswerk. Ook moeten er veel zaken ná de les gebeuren. Dit deel van jouw werk dat je voor en na een les doet en mét deze les te maken heeft, moet uiteraard wel worden betaald. Je kan dan denken aan het daadwerkelijk voorbereiden en afsluiten van lessen, het prepareren van het lokaal, het maken en corrigeren van proefwerken, tentamens, schoolonderzoeken, administratieve verwerking van leerling-gegevens en rapportvergaderingen. Dat deel van je/het werk valt onder de opslagfactor.

Alles wat niet met deze les te maken heeft, mag niet onder de opslagfactor vallen. Bijvoorbeeld het contact met ouders of de aanwezigheid op een open dag. Deze activiteiten moeten in de algemene schooltaken worden vastgelegd. Coaching of mentoraat heeft ook geen plek in de opslagfactor. Dit werk heeft geen directe relatie met het voorbereiden en afsluiten van lessen. 

Een mentor- , LOB-, of groepsuur is wel een gewone les. Hierbij hoort dus wel een opslagfactor.

Hoe komt de opslagfactor tot stand

In 1995 is de politieke keuze gemaakt om het onderwijs te decentraliseren. De overheid kiest er dan voor om zaken te on-centraliseren. Dit betekent dat de verantwoordelijkheden niet meer bij het Ministerie van Onderwijs liggen, maar bij de schoolbesturen. Dit politieke besluit zorgde ervoor dat schoolbesturen meer moesten gaan samenwerken. Hierdoor is de VO-Raad ontstaan. Deze organisatie kan je zien als vakbond van werkgevers van scholen. In de VO-Raad zitten vrijwel alle schoolbesturen van Nederland.

Ook heeft vanaf 1995 het ministerie besloten om de scholen een grote zak met geld te geven waarbij de onderwijsbesturen in overleg met werknemers mogen besluiten waar het aan wordt uitgegeven. Dit is de lumpsum. In 1995 is ook de term “taakbeleid” ingevoerd. Sinds 1995 is er veel discussie over de opslagfactor en over de definitie van een les. 

De opslagfactor is gekoppeld aan de les. Aan de les kan heel veel worden gekoppeld, maar er kan ook worden gekeken naar de essentie van de les en wat daar bij hoort. Binnen de AOb zijn wij daar voorstander van. Het zou anders kunnen gebeuren dat er allerlei ‘vervuilende’ zaken binnensluipen, die soms voor de ene leraar wel gelden maar voor een collega niet.

Een opslagfactor is een getal dat de realiteit moet weergeven. De vraag dringt zich dan ook op tot hoever je eigenlijk moet gaan in je berekening. 

Het advies van de AOb is: één cijfer achter de komma is nauwkeurig genoeg.

Zodra je verder gaat, moet je je afvragen of je daarmee nog duidelijkheid geeft. Helaas is het zo dat tussen besturen en werknemers het gesprek over de opslagfactor zich soms lijkt te beperken tot het getal en daarmee niet gaat over de inhoud.

Een schoolbestuur heeft in overleg met de werknemers de keus voor elke les dezelfde opslagfactor te hanteren. Het schoolbestuur kan er in overleg met de werknemers ook voor kiezen per vak een opslagfactor te hanteren. Als er bijvoorbeeld sprake is van een situatie waarin je lesgeeft in een leertuin, is er minder tijd nodig om je voor te bereiden. In dat soort gevallen kan je een ander soort opslagfactor met elkaar afspreken dan als je een klassikale les geeft. 

Niet bij elk vak hoeft dus dezelfde opslagfactor gehanteerd te worden. Je zou het argument kunnen gebruiken dat er verschillen zijn in voorbereiding en nawerk tussen de vakken Nederlands en Lichamelijke opvoeding.

Uit de bevindingen van de gestelde vragen in Teacher Tapp blijkt dat toch veel leraren geen idee hebben of er sprake is van verschillen in opslagfactor binnen hun locatie.

Zoek het uit!

Heb je naar aanleiding van dit blog vragen, dan kan je informatie vinden op verschillende plekken. 

  • Jouw opslagfactor kan je terugvinden op jouw normjaartaak. Soms heet het opslagpercentage. Elke school werkt met een systeem om dit uit te rekenen. Foleta en Zermelo zijn hierin de grootste. Voor het schooljaar begint krijg jij van jouw leidinggevende een taakformulier (plan van inzet, taakplaatje). Dit bespreek je samen en is de basis voor jouw werk in het nieuwe schooljaar.
  • Of er verschillen zijn in opslagfactor zou je kunnen opvragen bij de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad.

Wil je meer weten over het taakbeleid? Lees de brochure van de AOb.

  • Voor een overzicht voor gesprek over taakverdeling primair onderwijs kijk je hier.
  • Voor mbo is er een hulpmiddel bij werkverdeling mbo: kijk hier.

Als je lid bent van een vakbond kan je je vragen ook daar stellen. 

  • Laatste wijziging in bericht:2 februari 2022